Fitna 3 Takfir

Nieuwsgierige obers, tandeloze oude mannen met stoppelbaard, ondeugende kinderen, keurige studenten, gesluierde vrouwen, allemaal vragen ze: ‘Ben je moslim?’

Ik schud dan mijn hoofd.

‘Christen?’

‘Nee,’ zeg ik. ‘Ik ben niets.’

‘Geloof je dan niet in God?’ vragen ze verbaasd, en ik antwoord dat ik het niet weet en verander van onderwerp.

In Soedan loopt het anders. De stampvolle trein van Wadi Halfa aan het Nassermeer naar de hoofdstad Karthoem kruipt al twee dagen en nachten door de woestijn. Ik zit op een houten bank, ingeklemd tussen twee mannen. Ze hebben de ruimte om ons heen opgevuld met dozen en kisten vol handelswaar uit Egypte, die ze in Karthoem met grote winst gaan verkopen. Tegenover ons zitten drie in het zwart geklede oudere vrouwen onafgebroken pitten te peuzelen. De schillen spugen ze op de grond. Aan de andere kant van het gangpad zitten vrouwen in kleurige gewaden met huilende baby’s en schreeuwende kleuters die naar de wc moeten, ruziemaken, spelen en jengelen. De wagon ziet er na twee dagen uit als een door mensen bevolkt kippenhok, net als de tientallen wagons voor en achter ons. De trein staat alweer een paar uur stil in de zinderende woestijn. De machinist ligt tussen de rails te slapen.

Een van mijn buurmannen vraagt of ik moslim ben, en het gesprek begint zoals gewoonlijk. Dan ontstaat er rumoer onder de vrouwen. De vertaling zoemt als een bromvlieg door de trein. Weg is de verveling. Een file opgewonden kakelende mensen wringt zich door het gangpad, richting ongelovige. Een warme zweetlucht dringt mijn neus binnen. Schoenen staan op tenen en ellebogen prikken in ruggen. Sommigen werken zich via het balkon het dak op en wurmen zich door de ramen naar buiten om aan de drukte te ontsnappen. Ook de ongelovige laat zich in het zand naast de trein zakken. Wanneer hij in de smalle schaduwrand zit, nemen zijn medereizigers alle tijd om hem te aanschouwen, te bespreken en aan te raken, huiverig en gefascineerd tegelijk.

Wat bezielt hem? vragen zij zich af. Wat bezielt hen? vraag ik me af. En zo staren we elkaar wat aan. Een man toont me zijn handpalmen. ‘Kijk in mijn linkerhand,’ zegt hij, ‘hier staat het: er lopen drie lijnen, twee vormen een omgekeerde V, dat is een Arabische 8, de lijn ernaast is een 1. Dat maakt 81. De rechterhand is het spiegelbeeld van de linker. Daarin staat 18. 81 + 18 = 99. God heeft 99 namen. 81 – 18 = 63, en dat is de leeftijd waarop Mohammed stierf. Allahu akbar! God is groot!’ roept hij en wijst naar de hemel. Er gaat een instemmend gemurmel door de menigte. Ik ben getroffen door de eenvoud van zijn godsbewijs. Als ik voorzichtig suggereer dat God misschien niet bestaat, alleen maar een mensenmaaksel is, blijft een reactie uit. In zijn hoofd is geen plaats voor dit soort twijfels, zoals voor zijn godsbewijs geen plaats is in dat van mij.