Fitna 8 Vrouwen

Onzichtbae vrouwen

Op straat lopen voornamelijk mannen. En ook de rijen voor het loket op het station, in het postkantoor en in de bioscoop bestaan vrijwel uitsluitend uit mannen. De Arabische wereld is een mannenwereld, maar in Algerije beheerst de man het openbare leven zo sterk, dat de bezoeker gaat twijfelen aan het bestaan van het gemythologiseerde geslacht. De vrouwen zijn onzichtbaar.

Ook in de koffiehuizen zitten enkel mannen. Aardige mannen, maar wel allemaal met dezelfde interesse: ‘Ben je getrouwd?’ Ik vraag: ‘Waar zijn de vrouwen?’ ‘Thuis,’ zegt de man, Mohammed, 35 jaar, ongetrouwd. ‘Getrouwde vrouwen en oudere meisjes moeten binnen blijven,’ legt hij uit. ‘Dat is beter voor hen. De straat is van de mannen, het huis van de vrouwen. Dat zegt de islam. Want vrouwen kunnen zich het beste ontplooien in de beschutte omgeving van het huis, samen met seksegenoten in het warme nest van de familie.’

Mohammed staat erop dat ik op bezoek kom in zijn ouderlijk huis. Hij is een Algerijn in hart en nieren: zijn gastvrijheid kent geen andere grens dan het gordijn waarachter de vrouwen zich bevinden. Eerst gaan we met de bus, dan lopen we nog een kwartier door een moderne buitenwijk, een erfenis van het socialisme. Haveloze flats, brede stoffige straten met overal vuilnis waar geiten zich een weg door eten.

Een donker portiek, de deur staat open, in de gang hangt een gordijn. De voorkamer is de ontvangstruimte. Mohammeds vader heeft leuk geboerd. De traditionele ontvangkamer, de maglis, is sober, met een bank langs tot navelhoogte blauw geverfde muren. Deze maglis is een pronkkamer: behalve een kleuren-tv staat er een bankstel met gouden krullen en rode imitatiezijde. Aan het plafond hangt een kroonluchter van plastic, aan de muur een foto van een Zwitsers berglandschap en een wandkleed van de Kaäba in Mekka. De inrichting is een samenraapsel van stijlen, van alles wat status uitdrukt.

Er wordt geroepen, mannen komen binnen, geven handen, heten me welkom: ‘Salaam alikoem,’ – ‘Alikoem salaam.’ We gaan zitten. De thee komt, wordt van de pot in de glaasjes, van de glaasjes in de pot en weer in de glaasjes gegoten voordat hij voldoende drinkbaar wordt bevonden. ‘Wij zijn zeer vereerd met je bezoek,’ zegt Mohammeds vader. ‘Wil je eten?’ Er komt eten. Ik vraag: ‘Waar zijn de vrouwen?’ Mohammed: ‘Achter het gordijn is het haram, verboden; daar zijn de vrouwen.’ Ik hoor gegiechel vanachter het gordijn. Mohammed roept. Het gegiechel verhevigt, vrouwenstemmen verwijderen zich. ‘Mijn zusters,’ legt hij uit. Dan wordt er een laag tafeltje voor ons gezet, vol met eten dat de vrouwen hebben gekookt. De mannen vissen met een stukje brood het eten uit de schalen. ‘Neem meer, neem meer,’ zegt de gastheer. Na de tweede ronde weiger ik resoluut. ‘De Koran leert ons gastvrij te zijn, zelfs een nachtelijke vreemdeling zal bij ons nooit tevergeefs aankloppen.’ Ik houd een lofzang op het heerlijke maal en op de Algerijnse gastvrijheid. Een gesluierd meisje haalt de schalen op. Een ogenblik lacht ze me ondeugend toe. In het keukentje eten de vrouwen de restjes op, terwijl ze de vreemdeling uitgebreid bespreken.