Fitna2

Fitna 2 Allahu Akbar

Censuur

YouTube heeft Fitna 2 van youtubekanaal Religion Research verwijderd. De video zou expliciet geweld tonen – iets wat niet het geval is. Waarschijnljjk heeft YouTube een database van besmette IS-fragmenten, fragmenten die niet door mainstream media zijn getoond en die men – op last van overheden die dreigen met hoge boetes – uit het publieke domein wil houden. Het gaat om de eerste 20 seconden, te zien in de niet gecensureerde video bij Vimeo-hieronder.

Een gecensureerde versie, waarin het beeld helemaal vervaagd was, is na eerst te zijn afgekeurd, daarna weer goedgekeurd, is nu weer afgekeurd en door youtube verwijderd. Zogenaamd omdat de video gewelddadige beelden zou vertonen (al zijn er helemaal gen beelden zichtbaar), maar in werkelijkheid omdat er een aanklacht op stond tegen de censuur-praktijk door youtube.

Inmiddels staat er een derde versie van Fitna 2 op YouTube waarin de fragmenten die mogelijk omstreden zijn, zijn verwijderd. Onder protest.

Hier de ongecensureerde Fitna 2 Allahu Akbar:

‘Waarom doen jullie zo geheimzinnig?’ vraag ik. ‘Egypte is gevaarlijk voor mensen die de islam als maatstaf nemen voor het hele leven,’ antwoordt Moessa. Hij is in de dertig, draagt een pak en heeft een kroezige baard. Moessa beweegt zich in islamistische kringen. ‘Een jaar geleden deed de politie een razzia,’ vertelt hij. ‘Ze waren op zoek naar terroristen. Zo noemen ze mensen die echt moslim zijn. Ik was bij vrienden waar ze de deur opentrapten. We moesten buiten op de grond liggen terwijl ze ons onder schot hielden. De hele inboedel werd op straat gesmeten. En toen vonden ze wat ze wilden vinden: verboden islamitische posters. Ze namen ons mee naar het politiebureau. Daar hebben ze ons ondervraagd. Ze zeiden: “Jullie willen invoering van haddstraffen? Wij zullen jullie haddstraffen geven!” En ze sloegen erop los.’ Haddstraffen zijn lijfstraffen: de hand van de dief wordt afgehakt, de overspelige vrouw gestenigd. ‘Ben je daar voor?’ vraag ik. ‘Pas als elke man een huis, werk en een vrouw heeft, moet het islamitisch recht zoals dat in de Koran beschreven staat worden uitgevoerd,’ zegt Moessa. ‘Eerder is het onrechtvaardig. Onze God legt geen onrechtvaardige regels op. Enfin, ze herhaalden alsmaar: “Beken dat je een terrorist bent,” en ze sloegen me. Ik antwoordde steeds weer: “Allahu akbar!” Ik had geluk: na drie maanden werd ik vrijgelaten.
‘De tijdgeest is machtig,’ meent Hosni. ‘Twijfelend houden overheden de groene islamitische banier omhoog, onder het motto: liever zelf met de vlag zwaaien dan ermee om de oren worden geslagen.’ Langzaam maar onmiskenbaar beantwoorden overheden in de hele islamitische wereld de roep om islamisering van de maatschappij. Maar, al willen mensen als Hosni het liever niet horen, het is niet alleen opportunisme dat de staat ertoe beweegt een islamistische koers te varen. Het is voor het religieuze establishment moeilijk de wensen van de islamisten op theologische gronden van tafel te vegen. Islamisten trekken het geloof van orthodoxe moslims door naar politiek niveau. Voor het politiseren van de islam hebben ze goede papieren: was Mohammed zelf geen politicus die de sharia als leidraad nam?
Ook het gevoel van urgentie dat veel islamisten hebben komt niet uit de lucht, maar uit de hemel vallen. Het geloof in een uiteindelijk ingrijpen van God, waarna de ideale, paradijselijke samenleving ontstaat, is een erkend onderdeel van de islam. Geen moslim twijfelt aan het in de Koran aangekondigde einde der tijden en het herstel van Gods koninkrijk, alleen is het voor de meesten niet erg actueel. Voor de nastrevers van het idee van de islamitische staat heeft het echter wél topprioriteit.